spacer spacer
arrow Over Peter Christina Hosman
Leven|Werk|Activiteiten|Over Peter|Links|Home
   

Christina Hosman

Kunsthistorica

De Zwaarte van het Verlangen

Hij is bosbouwer, jager, paardentrainer, zoöloog, krijgsman en beeldhouwer tegelijk, maar in geen van deze beroepen heeft hij ooit een officiele studie afgerond.  Peter Engelen is deels autodidact of, zoals hij zelf zegt, een "ready-made", iets dat er al was voordat het nog gemaakt moest worden.  In zijn leven heeft hij de nadruk meermaals verlegd van het ene naar het andere vakgebied, voortgekomen uit een geweldig interesse - zijn liefde voor de natuur.  In de beelden die hij maakt klinkt een oorverdovend verlangen naar deze natuur.

Zijn jeugd bracht Engelen door tussen koeien en paarden in de stallen van de boerderijen nabij zijn ouderlijk huis in een klein plaatsje in Limburg.  Daarnaast vond hij een ideale speelplaats in de plaatselijke slachterij.  Vaak kon Engelen mee met de dierenarts als deze zijn ronde in de buurt deed, en bracht geregeld hazen en katten mee naar huis die hij daar voorzichtig uit elkaar ploos.  Het ingenieuze skelet van het dier, bestaande uit een vast aantal uniek gevormde deeltjes bijeengehouden door de spieren en omspannen door de huid met de donzige vacht, kende hij tot in het kleinste detail.

Na het VWO, waar Engelen getracht had zo min mogelijk te zijn, werkte hij enige tijd als paardentrainer.  In een poging zich iets van nut bij te laten brengen begint hij aan een studie Rechten in Utrecht.  Al valt hem deze studie geenzins zwaar ziet Engelen al snel in dat hij in de wereld van het nut niet wil deugen.  Hij meldt zich aan bij de 'Hogeschool voor de Kunsten' in dezelfde plaats.  Dat de gedachte aan het nut hem niet echt losgelaten heeft spreekt uit zijn keuze voor het vak grafische vormgeving.  Als hij zijn propedeuse na twee jaar heeft behaald weet hij precies wat hij wil.  Engelen doet in 1990 toelatingsexamen aan de Academie in Tilburg om daar het beeldhouwersvak te leren van Christina Nijland (1937).  Via haar komt hij in contact met het werk van de Amsterdamse beeldhouwer Theresia van der Pant (1924).

Van der Pant maakt al vele jaren portretten en dierfiguren, met name vogels, uit steen, klei en was.  Haar meest bekende beeldhouwwerk is het portret van Wilhelmina te paard uit 1972 dat op het Rokin in Amsterdam staat.  In Brussel had Van der Pant begin jaren vijftig van de beeldhouwer Oskar Jespers (1887-1970) geleerd goed te observeren en daarna een eenvoudige weergave te maken uit het geheugen.  Haar werkwijze heeft de meest treffende overeenkomst met het werk van Peter Engelen.  Naast de beelden van Van der Pant inspireert hem het werk van Henry Moore, Joseph Beuys en Medardo Rosso.

Omdat de blok beeldhouwkunst aan de Academie in Tilburg slechts drie maanden duurt besluit hij de rest van dhet studiejaar met een hengel langs de waterkant door te brengen. Na dit jaar begint hij met een serie dierenbeelden en naakten. Het maken van de mal voor de uit harde was of gips gevormde figuren, het afgieten van het beeld in brons en het afwerken en patineren leert hij volledig beheersen.

De dierfiguren die Engelen maakt getuigen van zijn oorspronkelijke gevoel voor de natuur.  Hierin is geen plaats voor de dubieuze, menselijke moraal die in de geïndustrialiseerde Westerse samenleving aan de natuur verbonden is.  In tegenstelling tot deze moderne visie vol contradicties staat de natuur van Engelen, een wereld waar gruwelijkheid en schoonheid, leven en dood hand in hand gaan.  De jager door wiens schot het ree ter aarde valt houdt intens van zijn slachtoffer.  De bronzen tijger die van de hoge stenen sokkel zijn fictieve prooi aanvalt straalt een intense spanning, concentratie en kracht uit, gebundeld in zijn belangrijkste werktuigen; de klauwen, de kop en de staart.  In een beeldje van hetzelfde dier in diepe slaap gesust lijken deze eigenschappen ineens vergeten.  Het beeld roept direct de sympathie op voor onze eigen 'huis, tuin en keuken' tijgers.  De zuivere esthetiek van het afschuwwekkende komt heel sterk tot uitdrukking in een recent gemaakte, kleine, bronzen schedel van een paardenhoofd.  Het beeldje is de welgevormde dood van een dier dat zo nauw met de mens verbonden is dat dit het menselijke leed onvermijdelijk in zich draagt.

Eveneens bij Van der Pant komen de beelden, alsook zijn tekeningen, direct voort uit het geheugen.  Terwijl zij echter eerst studies verricht in dierenparken als Artis, heeft Engelen vanaf zijn prille jeugd zo intens met de dieren geleefd dat hij genoeg heeft gezien om ze in alle houdingen moeiteloos weer te kunnen geven.  De precieze anatomie interesseert hem daarbij naar eigen zeggen niet zozeer.  Elk beeld echter, hoe impressionistisch het ook is weergegeven, getuigt van een uitermate goede beheersing van de structuur van het dier.

In de stallen van de boeren en tijdens het werk met paarden, in het safariepark waar hij vroeger veel kwam en in de dierentuin waar hij in Engeland korte tijd tegenover woonde, heeft Engelen zich de beelden van de dieren eigen gemaakt.  Zodra hij hun aanwezigheid in de stad mist, brengt hij ze in was, gips en klei naderbij.  Dit hevige verlangen naar de dieren is het meest zichtbaar in het beeldje Farewell to Arms.  Boven een balkje van houten plankjes is de uit gips gemaakte romp van een paard bevestigd, met een piepklein staartje van echt paardehaar.  De eenvoudige vormen van het gips en het hout zijn door een brand deels zwart geblakerd en lijken door toeval te zijn gevormd, gevonden op een zondagmiddag langs het strand.  Het staartje is door de hitte wat verschroeid.  Op de houten sokkel heeft Engelen het brandmerk van het door hem geliefde Oostpruisische paardenras de Trakehner gegraveerd, een paard dat oorspronkelijk gefokt werd voor de cavalerie.  Zijn afscheid van de droom die hij ooit koesterde voor een carrire in het leger en zijn nooit loslatende heimwee naar de dagelijkse omgang met paarden liggen in deze natuurlijke eenvoud besloten.

1997

< Over Peter